|

|
|
|
creatiefuit met Brons
Duur:
1 dag van 10.00-17.00 (of in overleg) prijs op aanvraag:
De vele mogelijkheden van het werken met brons kunnen in de workshop
worden belicht. Ervaring is niet vereist. We beginnen op Madurodam niveau.
Eerst het proces leren kennen en in één dag met een werkstukje naar huis.
|
Een kennismaking bedoeld voor personen die nog nooit met brons
gewerkt hebben. Tijdens deze workshop word je wegwijs gemaakt in de vele mogelijkheden
die het materiaal biedt. We maken een klein werkstuk wat je aan het eind
van de dag mee naar huis kunt nemen. We werken in het platte vlak volgens
de zandgiet methode..
|


|
|
Het kan zijn dat u onze website
heeft gevonden via een zoekmachine of een link via een andere pagina.als u
links geen menu ziet klik dan hier om onze hoofdpagina te bezoeken
|
|
Brons
Brons is een legering van koper en tin;
soms wordt ook zink bijgevoegd. Tin maakt het gietsel harder, glansrijker
en beter smeltbaar.
Bij 33% tin wordt de kleur grijzer,
bij 15% tin is de legering taai en
enigszins smeedbaar.
Bij 35% tin is de legering broos,
maar bij 50% wordt het mengsel weer
taaier. Voorbeeld van zo'n legering, waargenomen bij het beeld van Henri IV
(Pont Neuf te Parijs): 90% koper, 4% zink, 5,5% tin en 0.5% lood. Het klokkenbrons dat hard moet zijn omwille van de welluidendheid:
80% koper, 20% tin. Medaillebrons: 8- tot 12% tin plus somtijds kleine
hoeveelheden zink en lood. Bronzen voorwerpen uit Assyrië en Griekenland
(kapitelen, wapenrustingen, meubels) wijzen erop, dat men al vroeg
verschillende

alliages kende. Korinthe en Delos waren bekend om hun
metaalgieterijen. Phidias, Myron, Skopas en Ageladas waren beroemde
bronsgieters. De techniek in Europa en Azië was in principe gelijk. Alleen
samenstelling van het vorm materiaal en de alliages verschilden. De
bronsgietsels uit de oudheid, in de renaissance en tot in het midden van de
19de eeuw, waren gewoonlijk glad van huid. Onder invloed van het
impressionisme kwam in de vorige eeuw de neiging schilderachtiger en ruiger
te werken. Vooral door de mogelijkheden die gelatine en rubbervormen
bieden, kan men van voorwerpen die veel oneffenheden bezitten en slecht
lossend zijn, scherpe wasgietsels maken die op hun beurt correct kunnen
worden afgevormd en in brons gegoten. Omdat brons taaier en sterker is dan
steen is men in de compositie zeer vrij. Bij een stenen beeld moeten
steunende en versterkende elementen blijven staan of in de compositie
worden opgenomen (zie afb. David van Michelangelo bij 'Natuursteen'). De
totale bewerking van steen en hout vergt zeer veel tijd. Boetseren gaat in
het algemeen vlugger, de verdere afwerking, d.i. het gieten in brons, kan
in een bronsgieterij geschieden. Op deze manier is de modelleur eerder toe
aan het maken van nieuwe ontwerpen (grotere produktie). Een nadeel was wel
dat brons omgesmolten kan worden voor allerlei ook minder plezierige zaken
(wapens, wapenrustingen en kanonnen). Hierdoor zijn veel klassieke beelden
aan oorlogen ten offer gevallen.
|
|
|
GALVANOPLASTISCHE
METHODE ± 1840 werden de eerste galvanoplastische
werken geëxposeerd. Hoewel deze methode gedurende het verdere verloop van
de 19de eeuw veel supporters had, vooral onder de gekroonde hoofden die
deze gaarne verkoperd zagen, is ze op het moment nagenoeg niet meer in
gebruik. Het ging (in het kort) als volgt: Een stevige gipsen vorm (het
negatief) wordt van binnen gelijkmatig bestreken met een geleidende
grafietlaag. Deze vorm wordt vervolgens gelegd in een zuurbad, waarin koper
is opgelost. De grafietlaag wordt nu verbonden met een pooi van een
batterij; de andere pool met een in het zuurbad hangend stuk koper. Zodra
de elektrische stroom wordt ingeschakeld, gaat zich zuiver koper vastzetten
op de grafietlaag. Hoe langer dit gebeurt, hoe dikker de laag aanwast. Als
men de vereiste dikte (bijv. enkele millimeters) heeft bereikt, wordt de
stroom uitgeschakeld, de vorm voorzichtig uit het zuur gehaaid en
schoongespoeld. Als nu de gipsvorm met beitels wordt weggehakt, houdt men
het koperen voorwerp zuiver afgevormd over.
Cire perdue (verloren
wasvorm)
GIETEN ZONDER KERN Een slank en niet te
gecompliceerd wassen beeldje kan in brons gegoten worden op de volgende
manier:
We nemen aan, dat het nergens dikker is dan enkele centimeters.
Onderaan het beeldje wordt een conische aangietprop van was vastgesmolten.
Daarna worden evenzo waskoordjes bevestigd aan de hand en de voet, die
verticaal naar beneden wijzen.
Het beeldje wordt nu omgekeerd centraal geplaatst in een koker van
bijv. opgerold iinoleum of blik. Die koker moet zo wijd zijn, dat de wand
overal tenminste drie centimeter van de washuid verwijderd is.
Deze koker wordt nu volgegoten met vorm materiaal: gravel of chamotte
en gips (1 : 1), dit alles aangelengd tot een pap (zie: Vorm materiaal). Er
moet geen lucht inzitten. Ais het vormmateriaai hard is, wordt de blikken
of lino- ieumkoker verwijderd. Vervolgens wordt de vorm omwondel) met
kippegaas of uitgegloeid draad. Daarna stookt men de vorm heet tot het
vocht eruit en de was weggesmolten is. Waar die was zich bevond, is een
holte in de specie ontstaan, gelijk aan het volume van het beeldje plus
aangiettap en kanaaltje. In die vorm kan ge- smolten brons gegoten worden
en als het gietmateriaal is afgekoeld (wat ge- leidelijk moet gebeuren),
kan het. vorm materiaal worden weggehakt en het beeldje - nu in brons -
komt te voorschijn.
Het uiterlijk van het bronsje is op dit moment vaak
onaanzienlijk. Bij zo'n slordige 1000 graden Celsius is een laagje
vormmassa aan de bronzen huid vastgebrand (de giethuid), die in een bad van
verdund zwavelzuur kan worden ver- wijderd. Gietfoutjes moeten door hakken,
drijven of vijlen worden wegge- werkt. (Gereedschap: ponsjes, drijfhamers
enz.) Dit werk noemt men cise- leren; daarna kan het brons worden
schoongemaakt en gekleurd (gepatineerd). Als een dergelijk gietsel mislukt,
is het model natuurlijk verloren.
  
meer foto's
|
|
|
CELLINI- DIRECTE METHODE In de renaissance, toen de technieken
een zeer hoge bloei bereikten, leefde de edelsmid, beeldhouwer en snoever
Benvenuto Cellini (1500-1571), die in zijn autobiografie een levendige
beschrijving geeft van het gieten van zijn grote Perseus. Hij had
dit beeld gevormd op een kern van leem die met rottende wolafval gemengd
was, om de kern elastischer te maken. Op die kern die eerst lichtgebakken
werd, boetseerde hij een waslaag, waarin hij de uiteindelijke vorm van
Perseus bepaalde. Daarna bedekte hij het beeld met vorm massa: leem, die
hij daartoe speciaal geprepareerd had. Hij smolt met een zacht vuur de was
weg via een menigte van gietkanalen, die hij in kern en vorm had aange-
bracht. Om dit te kunnen doen had hij rondom de vorm een oven van bak-
stenen gebouwd. Twee dagen en nachten achtereen verhitte hij de vorm, tot
alle was verdwenen en de vorm gebakken was. Vervolgens groef hij een diepe
gietkuil en takelde met windassen vorm en kern hierin. Dit alles moest zon-
der schokken gebeuren. Hij plaatste aarden rioleringsbuizen in de kuil, die
aangesloten werden op het gietsel en die als aan- en afvoerkanalen moesten
dienstdoen. Daarna gooide hij de kuil rondom de vorm en om de gietkanalen
weer helemaal vol en stampte de grond stevig aan. .Hij stak zijn oven aan,
die vol gestapeld stond met bronzen en koperen blokken. Zijn werklieden
smeten grote bossen dennehout in de vlammen en porden het vuur aan. Dit
begon door de harshoudende brandstof op een gegeven moment zo hevig te
loeien, dat het dak van zijn werkplaats in brand vloog. Een sterke wind
wak- kerde het vuur aan, terwijl de oven aan één kant door felle
regenvlagen af- koelde. Ten overvloede kreeg Benvenuto een hevige
koortsaanval; hij meen- de dat hij sterven ging. Alles dreigde te
mislukken. Toch bleef hij ,zijn be- velen geven en ging daarna een ogenblik
rusten. Eén van zijn knechts, een kleine, kromgebogen onheilsbode,
verscheen aan zijn bed: 'Je werk is verloren, Benvenuto.' Razend van woede
sprong hij overeind; hij liet eikehout halen, want de gietspijs was
afgekoeld en vloeide niet meer. Het vuur laaide weer op en het brons ging
weer vloeien. Om dit te bevorderen smeet hij al zijn tinnen huisraad bij de
gietmassa en dankte toen God op zijn knieën, want de vorm was volgelopen.
Zijn koorts was op slag verdwenen en in volle gemoedsrust nuttigde hij het
avondmaal met zijn knechts.
Ongeveer op deze wijze, maar meestal niet zo dramatisch,
werden in de renaissance figuren en portretten gemaakt. Het is de
zogenaamde directe methode.
Een summiere, ijzeren bewapening (holle pijp
met gaatjes tot ontluchting van de kern tijdens het gieten) wordt opgericht
en omwonden met vellen papier om de kern beter te kunnen laten krimpen bij
het bakken. Bovendien kan later de bewapening makkelijker uit het brons
getrokken worden als het gieten klaar is en de kern losgehakt. Een mengsel
van chamotte en gips wordt met water aangemaakt tot een papje en over het
papier aangebracht. Men modelleert het ten naaste bij in de gewenste vorm,
maar wel iets schraler dan het verlangde eindresultaat. Verschillende lagen
vloeibare was worden er met een kwast op aangebracht tot de dikte van de
waslaag tenminste drie millimeter is (harde was ge- bruiken). Het
wasoppervlak kan met verwarmd metalen gereedschap worden bijgemodelleerd
tot de juiste vorm. Voor gladmaken kan men schuurpapier, gedrenkt in
terpentijn, gebruiken.
meer foto's
Nu worden enkele roestvrijstalen spijkers door
de waslaag in de kern gespij- kerd met een licht hamertje (punt van de
spijker even verwarmen om bars- ten van de was te voorkomen). Waspijpjes
worden aangebracht. Sommige gaan straks dienen als af- en de andere als
aanvoerkanalen. De eerste dienen om lucht en gassen te laten ontsnappen, de
andere voor de toevoer van het vloeiende brons. De hele zaak wordt omgeven
met een pap van gravel en gips en dcze wordt na harding van de vorm met
gaas en ijzeren banden versterkt.. Daarna wordt de vorm uitgestookt en
licht gebakken, waarna het geheel ge- reed is voor het gieten. Dit gebeurt
in een uitstookoven. De dunne waslaag verdwijnt en laat een ruimte van enkele
millimeters vrij tussen vorm en kern. De spijkers en het kern ijzer houden
vorm en kern op de juiste plaats t.o;.v. el kaar.
|
|
|
UITSTOKEN
EN BAKKEN VAN DE VORM
Bouw een kubus van vuurvaste steen die van boven open is en aan de voor-
kant een opening heeft. In deze kubus wordt verticaal een buis of goot aan-
gebracht die door de opening aan de voorkant naar buiten steekt. Hieronder
komt straks een reservoir om de wegsmeltende was op te vangen. Opzij van de
kubus en iets lager liggcnd worden twee stookplaatsen gemaakt met twee
roosters, die een eindje van de grond liggen. De uit te stoken vorm wordt
op de kubus geplaatst en het atloopgat aangesloten op de afloopbuis (of
goot). Rondom de stenen kubus (plus vorm) en om de twee stook- plaatsen
heen wordt een muur gemetseld. Overal moet gelijke ruimte tussen deze muur
en de kubus ontstaan. De muur moet enkele steendikten boven de vorm
uitsteken. In de muur moeten twee gaten uitgespaard blijven onder aan de
voorzijde, voor het inbrengen van cokes en om de stookplaatsen te kunnen
bereiken.
Op de stookplaatsen kan met houtkrullen en hout een vuur worden
aange- legd, waarna men dit verder opvoert met cokes. Beide vuren moeten
goed bijgehouden worden om geen al te ongelijke hitte op de vorm los te
laten. De vorm moet kersrood gestookt worden tot alle was eruit is. Stalen
platen, voorzien van een gat zodat ze met een haak verwijderd kun- nen
worden, plaatst men voor de beide openingen, anders zou de trek te hevig
worden. Alleen voor bijvullen de platen verwijderen. Boven op de oven legt
men enkele stalen staven, waarop men weer stukken staalplaat kan leggen om
de hitte in de oven te regelen. Dit principe kan meer eigentijds worden
toegepast. De gieter van nu zal eerder met een gasoven werken of met een
oven die met olie gestookt wordt. Op de vuurplaatsen kunnen gasbranders,
die op propaanflessen aan- gesloten zijn, geplaatst worden.
Vorm- en kernmateriaal
Als vormmateriaal kan gebruikt worden 1 dl. gips met 1 dl. chamotte
of .gravel.
Aanmaken tot dunne, custardachtige pap en op het klei- of wasmodel
aan- brengen. Wasmodel kan met speksteenpoeder of krijtpoeder bestoven
worden om kralen van de gietmassa op de washuid te voorkomen (kralen
= krimpen van de natte vorm massa op de waterafstotende was). Aanbevolen
vormmateriaal voor gieten in brons:
1 dl. chamottemeel, 2 din. grove chamotte, 1
dl. oude vormmassa.
Dit in een emmmer of teil onder water zetten
tot de lucht eruit is (ver- zuipen). De aangemaakte massa moet men eerst
laten uitdruipen.
Emmer gips aanmaken met water en hier de aangemaakte massa langzaam
doorroeren. (Er moet geen lucht inkomen).
Verhouding gips: aangemaakte massa = 1:1,5.
Materiaal voor kern:
1 dl. gips, 1 dl. chamotte, 1 deel gemalen oude
massa. Verder wordt zaagsel toegevoegd. (Dit zaagsel verbrandt, waardoor de
kern massa elastisch wordt.)
Kern voor aluminium gietwerk: scherp zand 45
din., vormzand 45 din., co- lofoniumpoeder 2 din., 1 dl. meel De kern wordt
met melasse-oplossing besprenkeld (suikersiroop, afvalprodukt van de
suikerindustrie), met zeep ingesmeerd en bij 1650 C gedroogd.
INDIRECTE METHODE
(gieten met achteraf aangebrachte kern)
Hiervoor bespraken wij het gieten zonder kern
van een schrale, kleine en eenvoudige plastiek. Heeft een beeld meer
volume, zoals kop of romp bij mens- of dierfiguren, dan moet met een
buiten- en een binnenvorm gegoten worden; kortweg gezegd: vorm en kern. '
meer foto's
Door de grote variatie van vormen in de beeldhouwkunst zijn de
moeilijkheden bij het gieten van verschillende aard. Elke vormgeving brengt
haar eigen moeilijkheden mee. We zullen ons moeten beperken tot enkele
voor- beelden. Door de grote hitte, waaraan vorm en gietsel zijn
bl.ootgesteld, kunnen tal- rijke mislukkingen ontstaan: scheuren van de
vorm, opsluiten van gassen, koudloop (te snelle afkoeling), waardoor de
vorm niet goed volloopt. In al deze dingen moet voorzien worden.
Eén van de eerste moeilijkheden is, hoe blijft de kern (binnenvorm)
goed op zijn plaats ten opzichte van de buitenvorm. Verder: hoe kunnen wij
zorgen dat de vorm overal goed volloopt en de hete gassen kunnen
ontsnappen. Als voorbeeld nemen wij weer een in klei geboetseerde kop. Men
maakt een strook klei van 4 à 5 cm breed, 1 cm dik en ongeveer een el lang.
Deze strook wordt op zijn smalle kant over de hele kop uitgezet, te
beginnen links onderaan de hals over het midden van de schedel tot rechts
onderaan de hals. De kop is dan in twee helften gedeeld: aangezicht en
achterhoofd. Dit kl ei wandje kan worden gesteund met rechte stukjes ijzer-
draad, die door het wandje heen gestoken worden tot in de schedel en de
hals. Ook langs de onderkant van de hals moet een dergelijk kleiwandje
worden vastgezet, waarop men de voorkant van de kop bestrijkt met een dunne
pap van gips en chamotte (gravel), aangemaakt met water. De vorm moet
overal tenminste 5 cm dik worden. Luchtbellen moeten word~n ver- meden. Als
de massa hard is, wordt het kleiwandje voorzichtig weggehaald, evenals de
ijzeren steuntjes. Er is nu een rechtopstaande rand van vorm massa ontstaan
(de flens). In die rand of flens worden op. onderlinge afstanden van 10 cm
met een theelepeltje of iets dergelijks holtetjes gedraaid; dit zijn de zg.
sleutelgaten.
Voordat we de achterhelft van de kop gaan gieten, moet de rand gaaf
afge- werkt worden en daarna met een losmiddel worden ingesmeerd. Hiervoor
kan een mengsel van zeep en olie of zelfs kleislib worden gebruikt. Men
moet kwistig over de flens heen smeren, opdat de gietmassa, die wij nu op
de achterhelft gaan aanbrengen, niet aan de voorhelft hecht. Als de hele
rand met de sleutelgaten en een deel van de kap aldus ingevet is, kan men
met het gieten van de achterhelft beginnen. Ook nu wordt de gietmassa aan-
gebracht tot een dikte van plm. 5 cm. Als ook de massa van de tweede helft
hard is geworden, moeten de beide vormen voorzichtig uiteengewrikt worden
met spatels, houten wiggetjes en vooral door telkens weer water in de
gietnaad te sprenkelen. Door overal gelijkelijk te wrikken over de hele
gietnaad en bij voortduring water ertussen te gieten, zullen de beide
vormen langzaam uiteen wijken tot men er tenslotte één voorzichtig kan
losmaken. Het kleimodel zal men hierbij meestal beschadigen. De tweede
helft kan nu ook omzichtig van het kleibeeld verwijderd worden en de vormen
schoonge- maakt. Op de rand van de vorm die het achterhoofd bedekte, zijn
nu de kleine, halve bolvormige sleutels te zien, die door het aangieten
tegen de voorste vorm in de sleutelgaten ontstonden. Door deze sleutels en
sleutel- gaten kunnen de vormen straks nauwkeurig aaneengesloten worden. De
gipskappen worden goed schoongemaakt en (in vochtige toestand) inge-
penseeld met vloeibare was. Deze was moet zachtjes verwarmd worden op een
komfoortje. Als beide vormen na geregeld inpenselen met een laag van plm. 3
mm bedekt zijn, moet de overtollige was langs de randen wegge- sneden
worclen. Van binnenuit worden nu op verschillende plaatsen, gelijke- lijk
verspreid in de vorm, spijkers geslagen, die door de waslaag heen in de
vormspecie dringen en naar binnen toe moeten blijven uitsteken, om straks
in de kern terecht te komen.
De vormen worden samengevoegd, op de naden een beetje
verwarmd en aan- eengesmolten en aan elkaar gebonden met uitgegloeid draad.
De naad tussen de twee washelften binnenin de kop wordt gedicht met
vloeibare was.
In een ijzeren pijp (:t 50 cm lang) worden op
kleine afstanden van elkaar zaagsneetjes gemaakt of gaatjes geboord. Aan
één kant wordt de pijp voor- zien van een kluit was, zodat het geheel er
uitziet als een kolossale lucifer. Dit wordt het kern ijzer, dat straks in
het hart van de kern komt te zitten en de ontluchting bevorderen moet.
Deze kern wordt aldus gemaakt: De massa (oude
massa 2 din., gips 3 din., chamotte 1 dl., en zaagsel 3 din., met water tot
een papje dooreengeroerd) wordt door de halsopening in de vorm gegoten,
waar de koppen van de spijkertjes er zich in vastzetten. Het kern ijzer
wordt, met de wassen prop naar beneden, door het midden van de hals
gebracht. De wassen prop moet zo veel mogelijk in het centrum van de kop
terechtkomen. De buitenvorm wordt nu stevig met kippegaas omwonden en
daarna op- nieuw van een mantel van vormmassa voorzien. Het gedeelte
bovenaan de schedel wordt met vormmassa afgeplat, zodat de vorm (met de
wassen kop ondersteboven erin) rechtop kan staan. Nu wordt van was het
model van de aangiettap gemaakt (enigszins trechtervormig). Enkele stukjes
waskoord worden langs de wassen halsrand verticaal aangesmolten en
verbonden met een waspijp, die vlak bij de halskuil.ook verticaal aan deze
wasrand wordt bevestigd. Rest ons nog de aangiettap (in dit geval) achter
aan de hals te bevestigen en daarna al deze tappen met vorm massa te
bestrijken tot bijna bovenaan toe. Ook dit gedeelte moet met kippegaas
omgeven en met vormmassa aangestreken worden. Doe dit zo, dat de vorm en de
later aangebrachte vorm massa voor de gietkanalen één geheel vormen.
Nu moet de vorm in de uitstookoven om de was
uit te smelten. Als hij goed is drooggestookt, wordt hij opgesteld met de
hals naar boven in een kuil en rondom met aarde aangestampt.
Aan de oppervlakte van de gipsvorm bevinden zich twee openingen; de
wijdste hiervan is die van bet toevoerkanaal, in de kern ontstaan door het
wegsmelten van de was. Het andere dient tot ontluchting en
ontgassing. De smeltkroes wordt nu in de oven gezet en de hitte tot een
hoge temperatuur opgejaagd. Als het brons de vereiste vloeibaarheid heeft,
wordt met een speciale kroes- tang de kroes uit de oven gehaald; slakken en
ongerechtigheden worden af- geschept met een soort schuimspaan en het
gieten kan beginnen. Behoedzaam wordt de kroes gekanteld boven het gietgat.
N.B. Men moet achterelkaar doorgieten om luchtbellen te voorkomen! Ge-
lijkmatig en gul! Door het aanvoerkanaal vloeit het brons naar beneden door
de hele vorm, drukt zich omhoog en bereikt het andere hoofdkanaal waar het
de lucht en de gassen voor zich uitstuwt, die hierdoor aan de bovenkant
ontsnappen kunnen. Als ook dit afvoerkanaal geheel met brons gevuld Is, is
er voldoende spijs ingegoten en kan men het gietsel geleidelijk laten
afkoelen. Via het kernijzer in het midden zijn de gassen uit de kern
ontsnapt. Als vorm en gietsel volkomen koel zijn, kan men met een hamer en
beitel de vorm gaan verwijderen, na deze eerst van kippegaas ontdaan te
hebben. Uit de kop steken nu nog de spijkers en in het gietsel bevindt zich
nog de k.r,rn met het kern ijzer. De spijkers moeten worden afgezaagd of
afgeknepen, bij- gevijld en weggedreven. De kern kan via de hals worden
stukgeklopt en de brokstukken verwijderd. Hierna moet ook het kern ijzer
verwijderd worden. Ook kunnen met metaalzaagjes en ponsjes de bronzen
gietkanaaltjes wegge- werkt worden. Met verdund zwavelzuur kan de kop
worden schoongemaakt en daarna ge- ciseleerd en gepatineerd. N.B. Soms is
het noodzakelijk - als bijv. een neus haakvormig naar beneden staat, of bij
een oorlel - om aan die neuspunt of die oorlel een waskoordje (dus waskanaaltje)
aan te brengen, dat in verticale richting weer aan de huid bevestigd wordt.
Anders zouden deze punten niet vollopen.
Lood - aluminium
Voor het gieten van een beeldje in lood geldt hetzelfde principe als
voor een gietsel in brons. Lood heeft echter minder hitte nodig om te
smelten. -
(t1-OO°C te~en brons:!: 1000°C. Samenstelling:
7% antimoon, 93% lood).
Ook wel 15% antimoon: harder gietsel.
Aluminium wordt ook als gietmetaal gebezigd; het smelt bij 700° C.
Maar voor het gieten moet de temperatuur toch hoger worden opgevoerd.
|
|
|
|
|
|
|
meer foto's
|
SMELTOVEN VOOR KLEIN GIETWERK Voor de binnenwand
van de smeltoven moet van een rechte of gebogen vuurvaste steen (ovensteen)
gebruik gemaakt worden. De binnenruimte moet groot genoeg zijn om er de
smeltkroes royaal in te kunnen plaatsen (smeltkroes: zuivere klei gemengd
met grafiet). Men kan een grote, oude
kachel gebruiken om er de gebogen stenen in te metselen; een kachel
die van boven open is, maar wel rookafvoer heeft. Afdekken met een dikke,
metalen plaat, die eraf getild moet kunnen worden om cokes bij te vullen.
In de plaat moet een gat vlak boven de opening van de smeltkroes zijn om
metaal in de kroes te kunnen leggen. Afdekken met een vuurvaste steen. Een
aanjager kan onder bij het trekgat worden aangebracht om de hitte op te
jagen. De schoorsteen moet dicht boven de rand van de smeltkroes uitmonden.
Men stelle de oven buiten op, of zodanig dat afvoer naar buiten mogelijk
is. De schoorsteen hoeft niet al te lang te zijn maar wel zo, dat een goede
trek verzekerd is. Men begint met het stoken van een houtvuur en voegt daar
geleidelijk cokes aan toe tot een flink gloeiend bed van tussen de 20 en 30
centimeter dikte. Hierop wordt de smeltkroes geplaatst en men stapelt hier
cokes omheen tot aan de rand van de kroes toe. Vervolgens wordt stuk voor
stuk het giet- metaal in de kroes gelegd en - als dit vloeibaar is - met
een l'aag houtskool afgedekt. De verhitting wordt voortgezet tot het moment
van gieten.
HET INGIETEN
Nu worden met een schuimspaan ongerechtigheden van de oppervlakte
afge- streken en de kroes met het vloeibare metaal, in de kroestang naar de
vorm gebracht. De met ijzeren banden versterkte en volledig drooggestookte vorm
is opgesteld op een zandhoop, met het gietgat omhoog, of in een gietkuil in
de grond. Ook een stevige kist met zand kan dienstdoen. De vorm moet niet
te heet zijn. Het drogen gebeurt bij een temperatuur tussen 95 en 150
graden om het water te verwijderen; daarna wordt het gebonden vocht uitge-
stookt (:t 600 graden Celsius). Niet snel laten afkoelen! Nog eenmaal wordt
de smeltkroes afgeschuimd. Met een speciale tang (de lummel), door twee man
te hanteren, wordt de kroes nu boven het gietgat gebracht. Eén man houdt de
spil van de tang, de ander heeft de twee handvatten, waarmee hij langzaam
draaiend de kroes leeggiet. Dit moet gul maar geleidelijk gebeuren om
scheuren te voorkomen. Als het gietsel langzaam is afgekoeld en verhard,
worden de vorm massa en, indien mogelijk, de kern massa via een opening aan
de onderzijde van het gietsel weggehakt. Met stalen of messing borstels kan
de giethuid worden gereinigd. Daarna enkele uren in een bad van zwavelzuur
(1 dl.) en water (8 din.). (Zie: Schoonmaken van brons). N.B. In sommige
gevallen is de giethuid zelf zo fraai, dat men van schoonmaken en patineren
afziet. '
|
meer foto's
|
SCHOONMAKEN, POLIJSTEN EN PATINEREN
Het gietsel moet om de zuren te laten pakken verhit worden.
Oplos~ing van 5 dl. ijsazijn en 95 dl. water
wordt met keukenzout verzadigd.
Door poetsen met deze oplossing is brons goed schoon te maken. Wil
men
de glans behouden, dan met zaponlak insmeren.
Afbijtmiddel voor brons: verdund zwavelzuur.
Enkele procenten zwavelzuur voorzichtig met een
dun straaltje in water gieten. Niet andersom! Zeer gevaarlijk. In dit bad
kan een bronsgietsel gelegd worden. Van tijd tot tijd controleren,
afspoelen en afborstelen, tot de giethuid verdwenen is. Met een kwast kan
ook scherper zuur worden opgesmeerd, dan echter moet men het beeld met een
tuinslang geregeld afspoelen.
Voor slijpen en polijsten gebruikt men
slijpstenen (van grof naar fijn), schuurpapier (van grof naar fijn) en
polijstpasta's. Metaalpolijstpasta: oxaalzuur 13 din. oplossen in 320 din.
water en ver- warmd tot 80° C., daarna geneutraliseerd met 12 dIn.
ammoniak. Vervolgens wordt een mengsel verwarmd van 25 dIn. ruw oliezuur,
25 din. spiritus en 12 din. ammoniak, tot het zuur verzeept is. Nu koud of
ten hoogste lauw de twee oplossingen mengen, waarbij 100 à 200 din. fijn
kwartsmeel wordt toegevoegd, waarmee de dikte van de pasta bepaald kan
worden. Een ander middel is: 90 din. marmerpoeder, 10 din. zeer fijne
ijzeroxyde. Polijstvet: stearine 25 din., rundertalk 70 din. en paraffine 5
din. Amarylvet: stearinezuurzeep 11 din., rundertalk 1 dl., paraffine 3
din. en vaseline 1 deel. Behalve borstels kan ook een lappenschijf gebruikt
worden.
Patineren Reeds Plinius heeft stoffen genoemd
waarmee men in de oudheid brons pati- neerde. Het waren vloeistoffen,
bestaande uit groen spaan (kopercarbonaat: vormt op koperen voorwerpen bij
vochtige lucht een groene laag), urine en aluin. Sommige beeldhouwers
hebben een zg. pishoek, waar hun brons- . gietsels tijdelijk begraven
liggen en die ze geregeld bevochtigen, tot het brons de gewenste kleur
heeft aangenomen. Ook harsen, uiesap en vuil uit schape. vacht werden
vroeger gebruikt. Patina ontstaat onder invloed van koolzuur en vocht op de
metaal huid en beschermt het onderliggende metaal tegen verdere oxydatie.
Om een voorwerp te patineren, moet het oppervlak schoon zijn, dus gewassen
met loog of oplosmiddelen, geborsteld met messing- i' borstels of met zuur
schoongebeitst.
Van zeer veel belang bij het patineren is de
samenstelling van het brons (percentages koper, tin, lood, zink). Door de
invloed van een zuur op die verschillende metalen zal men verschillende
tinten bereiken. Ook de temperatuur speelt een rol. Wie de pure bronskleur
prefereert kan het metaal polijsten en met koperpoets blinkend maken
(daarna met zaponlak insmeren! ). Toch zal in de buitenlucht het metaal op
den duur groen of zwart worden.
RECEPTEN
enkele oude en nieuwe recepten voor het kleuren
van brons:
Gietsel verhitten en daarna met een laagje olie
insmeren. Daarna olie af- branden en poetsen met een wollen lap.
Langzamerhand zal de gouden bronskleur te voorschijn komen (lakken).
|
1. Antiekgroen:
Ammoniumchloride 13,5 gram
Kopersulfaat 75 gram
Water 1 liter
Verwarm het brons enigszins en breng
de oplossing snel over het geheel aan, bet het met een borstel en verdeel
de kleurstof gelijkmatig.
Hierna het werkstuk met koud water
spoelen; vervolgens met heet water en drogen
|
2. Geelgroen:
Ammoniumchloride 375 gram
Koperacetaat 200 gram
Water 1 liter
Verhit deze oplossing tot het kookpunt en breng het dan met een
grove, stugge borstel aan.
|
|
3. Diep blauwzwart:
Ammoniumsulfide 50 gram
Water 1 liter
De oplossing koud aanbrengen.
|
4. Appelgroen:
Ammonia
Natriumchloride
125 gram
Ammoniumchloride
125 gram
Azijnzuur 1 liter
Bestrijken met een stugge borstel tot
het oppervlak droog is
|
|
5. Bruin:
Bariumsulfide 30 gram
Kaliumsulfide 8 gram
Ammonia 0,1 liter
Water 4 tot 5 liter
Dompel het brons onder in
de oplossing en laat het er in tot het zwart wordt. Spoel het dan af in
water en bewerk het oppervlak met een koper- borstel. Tijdens het drogen
wat heet water aanbrengen. Hierdoor wordt een diepere kleur verkregen en
het droogt sneller.
|
Nadat men een van de bovengenoemde kleuren verkregen hèeft kan men
een dunne laag was of terpentine aanbrengen, zodat een glans opkomt. Als
het droog is met een zachte doek opwrijven.
meer foto's
Lichtgroene patina:
920 cc gedestilleerd water, 30 gr
kwikchloridepoeder (chloretum hydrar- gyricum), 30 gr zinksulfaatpoeder (sulfas
zincicus), 20 gr salpeterzuur- koperkristal (nitras cupricus). Mengen, het
schoongemaakte brons beschil- deren of deppen, daarna met gasvlam
inbranden. Om antiek brons te verkrijgen, kan men ook het beeld poetsen met
een linnen lap gedrenkt in een oplossing van 50 gr salmiak, 5 gr
kaliumbioxalaat en 1,8 liter azijn. Borstelen en poetsen tot de vloeistof
geheel verdampt is. Het beste is een warme omgeving. Bewerking moet soms
meerdere malen herhaald worden.
Koperkleuren:
bruin: kaliumchloraat 8 din., kopersulfaat 30
din., en water 1000 din. Op- lossing moet heet zijn.
donkerrood bruin: kopersulfaat 30 din., nikkelsulfaat 15 din.,
kaliumchlo- raat 8 din. en water 1000 din.
donkerbruin tot zwart: kaliumsulfide 10 din.,
en water 1000 din. Hoe langer het brons in de oplossing ligt, hoe donkerder
de kleur wordt.
Aluminium kan worden zwart gemaakt door het te
dompelen in een bad in de verhouding: I liter water, 112 gr. caustic soda
en 28 gr. calciumchloride. N.B. Met al deze chemicaliën voorzichtig
omspringen. Eventueel handen beschermen door het dragen van handschoenen.
Veiligheidsb~il!
I n het voorafgaande kwamen patinarecepten voor, waarvan sommige
bestanddelen misschien wel eens moeilijk te krijgen zijn.
Vandaar nog enige eenvoudige recepten om mee te beginnen:
6 eetlepels kopernitraat in een liter water
oplossen.. Het schoongemaakte brons verhitten en de oplossing aanbrengen.
Het metaal slaat nu groen uit. Als men het nu weer met een brander verhit
zal het groen zwart worden. Dit zwart moet worden weggeschuurd, geborsteld
en afgespoeld. Het brons moet nu bruin zijn. Bij herhaling van de bewerking
wordt het steeds donker- der tot zwart toe. Als men het kopernitraat nu
verdund over de donkere kleur (hetzij bruin of zwart) aanbrengt, geeft dit
er een groenig waas aan.
Als men enkele brokjes zwavellever oplost in
een liter water en dit mengsel verwarmt (niet laten koken! ), kan men
hiermee het (eveneens verwarmde) voorwerp insmeren. Daarna afspoelen met
water!
Het goudkleurige brons wordt hierdoor
donkerder.
Goudzwavel met ammoniak, tot een papje geroerd,
kan op brons worden gesmeerd als het brons koud is. Als de ammoniak
verdampt is, afborstelen en afspoelen (donkere bronskleur).
Ook met ijzerchloride in water opgelost kan men
patineren. Met de vlam de opgesmeerde kleurstof inbranden (bruine kleur).
N.B. De samenstelling van het metaal kan de kleurreacties beïnvloeden en
veranderen.
|
meer foto's
|
Gieten van brons
door middel van zandvormen
  
Door enkele gieterijen in Nederland worden bronsgietsels
naar gipsmodellen vervaardigd. Het voordeel hiervan is dat het een veilige
methode is. Mocht een gietsel mislukken, dan is van het gipsmodel een
nieuwe vorm te maken en dus ook een nieuw gietsel. Het afvormen echter is
gecompliceerder, waardoor deze gietmethode duurder is. Men maakt hierbij
gebruik van vorm- kasten. Als vormmateriaal wordt vormzand of Brusselse
aarde gebruikt, een fluweelzacht bruin poeder, dat door aanstampen stevig
samenkoekt en scherp afvormt. Als af te gieten voorwerp nemen we maar weer
een portretkop, waarvan het achterhoofdgedeelte glad en goed lossend is. De
kop heeft een Voorkant (aangezicht) en een Achterkant (achterhoofd). In
gietkast A (Achterkant) wordt een laag vormzand gestort op een vlakke
ondergrond. In deze laag vormzand wordt het achterhoofd van de kop gedrukt
en de aarde rondom wat aangestampt met een klopper. Het fluwelige vormzand
blijft dan als een stevige koek in de vormkast vast- zitten, terwijl de
gipsen kop eruit gelost kan worden. Het reliëf van achterhoofd en nek
bevindt zich nu negatief in de dikke laag vormzand. We hebben dus gietkast
A plus vorm A. Vorm A wordt nu met talkpoeder ingesmeerd. De gipsen kop
legt men weer achterover in vorm A. Nu wordt met vormzand een legpuzzel van
kleine lossende stukjes over het hele aangezicht gemaakt. Eerst langs de
rand (van oor tot oor langs de slapen, schedel en hals). Elk stukje wordt
aangeklopt en glad en lossend bijgesneden. Ze moeten in een bepaalde
volgorde van de gipskop kunnen worden gelost en in omgekeerde volgorde weer
op het aangezicht teruggeplaatst. De gezamenlijke hoofdvorm van deze
stukjes wordt tot een glooiende halve bol gesneden. Alle stukjes worden, om
aan elkaar kleven te voorkomen, met een laagje talk bestreken. Nu wordt
giet kast V op A geplaatst en met vormzand volgestampt. Als het vormzand
gelijkmatig tot een stevige koek geperst is, worden de beide kasten
omgedraaid (het aangezicht dus naar beneden). De nu bovenliggende vormkast
A wordt van het achterhoofd gelost en het vormzand hieruit verwijderd.
Vormkast A wordt teruggezet op vormkast V, waarna nu het achterhoofd in
zijn geheel met vormzand wordt afgevormd en aan gestampt tot de kast
volledig gevuld is. (Zowel in de steunvorm Vals in de vorm A kunnen
zandhaken worden aangebracht om het zand op de juiste plaats te houden).
Als het vormzand gedroogd is, wordt gietkast A met vorm A van het
(lossende) achterhoofd gelost en ook vorm V(oorkant) met de klopstukjes
wordt van de gipskop afgehaald, waarna deze stukjes in vorm V worden
teruggelegd. Grafietpoeder met water aangemaakt wordt nu in beide vormen
gestreken en deze worden daarna met talkpoeder bestoven. In de rand van
vorm V worden sleuven gesneden aan drie zijden (Zuid, West, Oost).
meer foto's
Gieten d.m. v.
zandvormen
Hierin wordt het kern ijzer gelegd, twee holle
geperforeerde pijpjes metaal (messing, staal, in T -vorm aan elkaar
gelast). Die perforatie dient om de hete gassen door te laten die tijdens
het gietproces ontstaan. Ze ontluchten dan de kern. Vorm V wordt volgedaan
met kern zand (duinzand met harshoudende olie: linoset). Deze kern wordt
aangevuld tot een heuvel die ten naaste bij de vorm van het achterhoofd
heeft. Vorm A en kast A worden op gietkast V .geplaatst. De kern of
binnenvorm, die zich nu rondom de metalen T -vormige buis bevindt en er
zich aan vasthecht, vult de holte tussen vorm A en V volledig. Als deze
kern gedroogd is moet ze nog een vermageringskuur ondergaan. De vormen
worden ervan verwijderd en de gehele kern, die nu de vorm van de gipskop
heeft aangenomen, wordt aan alle kanten enkele millimeters afgeschaafd (3
tot 5 millimeter). De stukjes van het gezicht (vorm V) worden vastgezet met
Z.g. vormstiften, dunne stalen stiften, om te voorkomen dat ze los gaan
zitten en tuimelen. Ze worden met een hamertje van binnen uit de vorm door
de stukjes in de steunvorm gedreven. De vorm mag hierbij niet beschadigen,
het is dus een secuur werkje. De kern wordt 'gezwart' d.w.z. met grafiet
ingesmeerd. Nu worden in de randen van vorm V aangiet- en afvoerkanalen
gesneden. Alles wordt in de oven gedroogd.
De kern wordt tussen beide vormen op de oude plaats teruggebracht,
en de giet kasten plus vormen plus kern aan elkaar gekoppeld en aaneengeklemd.
Tussen binnenvorm (kern) en buitenvorm is een ruimte van enkele millimeters
ontstaan. Het gloeiende brons wordt via het aanvoerkanaal ingegoten en
doorloopt alle ruimten. Via de afvoerkanalen en de metalen T -vorm
ontsnappen de hete gassen. Na stolling van het brons wordt het vormzand
weg- gehakt met hamer en beitel. Over blijft de bronzen kop. De uiteinden
van het kern kruis steken uit achter de oren en onderaan de hals. Ze worden
afgezaagd, evenals de aangegoten giettap en volgelopen afvoerkanalen. Als
de giethuid met verdund salpeterzuur is verwijderd en de gietfouten d.m.v.
slijpen, ciseleren en drijven verdwenen zijn, kan ook de kern via het
halsgat worden weggebeiteld. Hierna volgt het patineren of kleuren van het
brons.
Grotere beelden moeten in stukken gezaagd
worden die royaal passen in de gietkasten. Deze gietkasten bestaan in
verschillende afmetingen. De in brons gegoten stukken worden later in
elkaar gezet en aan elkaar vastgelast. (Het te gieten voorwerp moet overal
tenminste 15 cm van de wanden van de gietkast liggen). Vormzand bestaat uit
land' en klei. Er is mager, halfvet en vet vormzand (resp. 8% klei, tot 15%
klei, en meer dan 15% klei). Voor de eerste laag wordt fijnkorrelig
vormzand gebruikt. Het bevat koolstof, waardoor het vuurvast is. Voor de
volgende lagen wordt grover zand gebruikt. In vorm zowel als in kern werden
ook wel asbestvezels toegepast, daar deze warmtegeleidend zijn. Omdat
asbest slecht voor de gezondheid is, wordt dit nu nog zelden toegepast.
Gestampte sintels zijn poreus en verhinderen het scheuren van de
gipsmantel. Samenstelling van het kernmateriaal: 1 dl. gips, 1 dl. kwarts,
1 dl. luto (gebakken gemalen vorm). Verder wordt houtskool, stro, vodden en
zaagsel toegevoegd (vroeger ook paardemest! ). Er moet ongeveer een derde
gips inzitten. De kern mag niet krimpen of scheuren, moet elastisch zijn.
Andere kernsamenstelling: duinzand met linoset (harshoudende olie).
|
|
W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w
w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e
f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c
r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n
l. c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e
f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c
r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n
l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a
t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w
w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e
f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c
r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n
l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a
t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w
w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e
f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c
r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n
l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a
t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w
w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e
f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c
r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n
l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a
t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w
w . c r e a t I e f . n l W w w . c r
e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l
W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t
I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w
. c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f
. n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r
e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l
W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t
I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w . c r e a t I e f . n l W w w
. c r e a t I e f . n l W
|